Onderstaand verhaal is een voorbeeld van een door mij vervaardigd verhaal in woord en beeld.
Het betreft een persoonlijk verslag van de tweedaagse beklimming van de Emei Shan, een heilige berg
en bedevaartsoord in de Chinese provincie Sichuan.
Het verhaal is eerder verschenen in de Volkskrant en is tevens een hoofdstuk uit mijn boek
LAOWAI, een reis door China.




De bus was zo gammel en de weg zo slecht dat alles rammelde als een gek, de ramen, de stoelen, de motor en tenslotte ook de passagiers. In het lawaai dat er mee gepaard ging meende ik een verfijnde Chinese martelmethode te herkennen. Na het eerste uur begon ik me alvast voor te bereiden op een blijvende beschadiging van mijn gehoor. De Chinezen om me heen schenen nergens last van te hebben. Hun monden bewogen dus blijkbaar praatten ze nog met elkaar. Of ze waren immuun voor de herrie, of ze konden liplezen. Deze lijdensweg duurde nog drie uur voort, toen mocht ik overstappen in de open laadklep van een vrachtbusje. De beperkte ruimte diende ik te delen met een Canadees stel. We bleken hetzelfde reisplan te hebben, de beklimming van de Emei Shan. Een winderig kwartier later konden we, voor de laatste etappe, het busje verruilen voor een geriefelijke taxi. Langzaam herstelde mijn gehoor en verdween het gerammel uit mijn hoofd. Een mens blijkt soms taaier dan hij zelf denkt. De taxi minderde vaart en draaide een parkeerplaats op. De contouren van een Oosters bouwwerk tekenden zich af in de mist. Dat moest Wannian Si zijn, dachten we, de Tienduizend Jaar Tempel, het beginpunt van onze pelgrimstocht naar de top van de hoogste heilige berg in het Rijk van het Midden.

 

EMEI SHAN

Chengdu is de drukke hoofdstad van Sichuan, China's grootste en, met 100-miljoen inwoners, volste provincie. Om voor een paar dagen aan die drukte te ontsnappen was ik op een zonnige ochtend in een bus gestapt naar het plaatsje Baoguo. Dat lag een kleine tweehonderd kilometer naar het zuiden, aan de voet van Emei Shan, één van de vier grote boeddhistische heilige bergen in China. De lange en zware klim naar de tempel op de top is een populaire bedevaart. Al in de tweede eeuw werden op de flanken van de berg tempels gebouwd. Na de introductie van het boeddhisme in de veertiende eeuw groeide het aantal uit tot meer dan honderd. Daar zijn er nu nog slechts een twintigtal van over die een onderkomen bieden aan een paar honderd monniken. De oorlog met Japan en de destructieve ijver van de rode gardisten tijdens de Culturele Revolutie heeft ook hier een zware tol geëist. Pas na 1976 zijn een aantal kloosters gerenoveerd en weer in gebruik genomen. Tegelijk zijn de bergpaden verbeterd en opengesteld voor toeristen die de tocht naar de heilige top willen maken.

Emei Shan staat bekend als een botanisch koninkrijk. Meer dan 3000 soorten planten bedekken de steile berghellingen. In de subtropische en gematigde zone's rond de voet van de berg schijnen zeldzame dieren als de kleine panda en de Sumen-antilope zich in de weelderige vegetatie schuil te houden. Minder schuw zijn de apen die halverwege de top soms het pad blokkeren en de argeloze bedevaartganger pas doorlaten wanneer deze voldoende tol betaalt, tol in de vorm van voedsel. De wandelstokken waar veel pelgrims mee zijn uitgerust dienen niet enkel ter ondersteuning maar ook als wapen om al te brutale apen van zich af te houden. Het gros van de toeristen heeft echter niet de vermoeiende bedevaart, de rijke flora en fauna of de schoonheid van het landschap langs het pad als doel. De mensen komen vooral voor de ervaring een zonsopkomst of -ondergang boven het wolkendek rond de top mee te maken en om weer eens een flinke hap frisse lucht te krijgen.

 

EILAND IN DE MIST

Achtervolgd door verkopers van fruit, plattegronden en souvenirs liepen we over de parkeerplaats naar het begin van het pad. Zoals overal in China moesten we eerst een kaartje kopen, niks voor niks. Het Oosterse bouwwerk dat we van een afstand voor een tempel hadden versleten bleek slechts het tolhuisje. Mist speelt met proporties. De eerste paar kilometer liepen we, temidden van oude vrouwtjes met grote manden op hun rug en keurig geklede zondagstoeristen op lakschoentjes, langs tientallen kraampjes. Er werden bijna uitsluitend gedroogde paddestoelen aangeboden, ter consumptie of voor de genezing en preventie van allerlei kwalen. Een bedevaart alleen was blijkbaar niet altijd voldoende om een lang en gezond leven te garanderen. Veel pelgrims maken de tocht voor alle zekerheid dan ook jaarlijks. Het zal hun gezondheid ongetwijfeld ten goede komen.

Het betonnen begin van het pad.

Na een trage klim van een klein uur bereikten we de Tempel van 10.000 Jaar. Dit was de oudste tempel op Emei Shan. Hij was gereconstrueerd in de negende eeuw en opgedragen aan de bodhisattva Puxian, de beschermheilige van de berg. De tempel lag op duizend meter de top op bijna 3100 meter. Nu begon de klim pas goed. Gedrieën lieten we het heiligdom achter ons. Het pad werd een trap, de lichte glooiing een steile helling die schijnbaar eindeloos omhoog ging. Naarmate we hoger kwamen werd de mist dichter. Niets viel er te zien van de schitterende natuur die de reisgids beloofde. Voor ons geen spectaculaire vergezichten en ruige berglandschappen. Hijgend en zwetend beklommen we in een serene omgeving duizenden treden. We passeerden ongemerkt de Helling van het Paraderende Hart, we dronken thee in het Huis waar het Hart Rust en klommen verder naar de Vlakte van de Oude Man. De berg leek verlaten, we kwamen vrijwel niemand meer tegen. We hoorden niets dan onze eigen ademhaling en het kloppen van onze eigen zwoegende harten. De mist verkleinde de berg tot een eiland met een doorsnede van hooguit honderd meter. Een eiland dat meebewoog met iedere stap die we zetten.

De ware pelgrim maakt het zichzelf niet makkelijk.Vroeg in de ochtend in het Xixiang klooster roert een monnik de nog nasmeulende as in de wierookpot om.

Een schim verscheen voor ons op het pad. Een schriele man kwam ons tegemoet, een pelgrim op weg terug naar beneden. Op zijn rug, in een bamboe draagstel, lag een dikke boomstam, minstens zo zwaar als hij zelf. Was dit zo'n vorm van zelfkastijding waar sommige bedevaartgangers zich aan onderwerpen? Had hij, als boetedoening, die boomstam eerst helemaal omhoog gebracht om hem nu weer mee terug te nemen? We konden het ons niet voorstellen, dat zou onmenselijk zwaar zijn. De man oogde dan ook redelijk uitgeput maar had nog de kracht om vriendelijk te glimlachen toen we passeerden. Van mij mocht hij wel honderd worden. Een paar tellen later had de mist hem alweer opgeslokt, alsof hij er nooit geweest was. Alleen het regelmatige getik van zijn wandelstok op de treden verried zijn bestaan maar al snel stierf ook dat weg. Hoger en hoger klommen we, tot de Huayan Piek op 1900 meter. Vandaar daalde het pad honderd meter naar de Lotus Rots om daarna weer steil omhoog te gaan naar het klooster van Xixiang Pond, de Badende Olifant Vijver, halverwege de top.

 

BADENDE OLIFANT VIJVER

Het eind van de middag naderde. Het begon al te schemeren, medio november zijn ook in China de dagen kort. We besloten in het klooster te overnachten. In het hoogseizoen bezetten elke nacht tientallen pelgrims de slaapzalen van Xixiang Pond, nu waren wij de enigen. Een paar sjofel geklede monniken heetten ons welkom. Glimlachend vroegen ze een -voor Chinese begrippen- astronomisch bedrag voor een kamer. We probeerden nog wat af te dingen maar we hadden eigenlijk geen keus. Het eerstvolgende klooster lag op minstens twee uur klimmen. Dat zou onbegonnen werk zijn in het donker. De monniken wisten dat natuurlijk maar al te goed en deden niet veel water bij hun wijn. Voor ons geld kregen we wel de 'Royal Suite', een ruime kamer met twee grote bedden, een kast, een bureau en twee stoelen. Op de bedden lagen zelfs elektrische onderdekens alleen werkten die niet meer. Je kunt niet alles hebben. De omstandigheden mochten dan enigszins primitief zijn, dit klooster had meer sfeer dan welk Chinees hotel dan ook. Verwarming was er niet maar in de gemeenschapsruimte brandde een kolenkachel. We mochten er onze bezwete kleren ophangen om te drogen. Om zelf warm te blijven kregen we ieder een lange en zware groene overjas. We zagen er uit als Russische soldaten in Siberië. In de keuken werd ons een kom plakkerige rijst met een schep lauwe groenten geserveerd. De Chinese keuken geniet terecht wereldwijde faam. Ook de vegetarische gerechten die Boeddhisten weten klaar te maken kennen vaak een hoge mate van verfijning. De kunst hiervan was echter nog niet doorgedrongen tot de keuken van het Xixiang Pond klooster. Maar we hadden wat in onze maag en we beseften terdege dat boodschappen doen op deze berg een zware taak was. Mopperen zou misplaatst zijn. In de 'huiskamer' zaten tien monniken rond de potkachel geschaard televisie te kijken. Gebiologeerd staarden ze naar het scherm van een aftands zwart-wit toestel. De ontvangst was slecht, het programma, een Chinese soap, waarschijnlijk ook, maar daarom niet minder populair. Het gevoel dat ik een paar weken eerder in een overvolle McDonalds in Beijing had gehad bekroop me nu weer, het gevoel dat mensen eigenlijk overal ter wereld in grote lijnen hetzelfde zijn. Ik voelde me bijna thuis. We bleven nog een tijdje bij de kachel zitten tot we voldoende moed en warmte verzameld hadden om de koude bedden in te duiken.

 

Monnik in het Xixiang kloosterLopen door de mist.

LEVENDE WATERVAL

Xixiang Pond moest volgens de reisgids de plek zijn waar de apen hun tol zouden heffen. Vlak voor we het klooster bereikten hadden twee exemplaren ons pad al gekruist maar die waren beduidend banger voor ons geweest dan wij voor hen. Op de ochtend van de tweede dag waren we op alles voorbereid. Vroeg in de morgen vertrokken we uit het klooster. We passeerden een hoopgevend waarschuwingsbord 'Beware of the Monkey', maar hoe we ook riepen en met bananen en koekjes zwaaiden, geen aap liet zich zien. De dieren waren zeker naar het zuiden gevlogen om te overwinteren. Geef ze eens ongelijk, het was koud en het seizoen was immers voorbij. De vier of vijf verdwaalde toeristen die er nu per dag nog voorbij kwamen loonden de moeite niet. We begrepen het wel maar voelden ons toch zwaar bekocht. De enige apen die we nog te zien kregen zaten met een ketting om hun achterpoten op de schouders van hun eigenaren. De arme beestjes moesten kunstjes doen die ze niet wilden en tegen hun zin met vervelende toeristen op de foto.

En toeristen waren er ineens volop. Langs de minst steile zijde van de berg liep een weg omhoog tot zo'n vierhonderd meter onder de top. Busladingen vol dagjesmensen werden daar naar toe gebracht. Voor wie ook het laatste stuk lopen nog teveel was liep er vanaf de parkeerplaats een kabelbaan naar de top. Voor de echt decadente toerist stonden mannen met draagstoelen klaar om deze naar boven te sjouwen. Mao zou zich omdraaien in zijn mausoleum als hij dat zou zien. Hij was het die indertijd de draagstoel, waarin de rijken zich door de armen lieten vervoeren, juist had verboden omdat hij deze als hét symbool van ongelijkheid en klassenverschil beschouwde.

Een Chinese toerist wordt in een draagstoel naar de top gebracht.

Van het ene moment op het andere bevonden we ons met tientallen Chinezen in een grote file. Het pad was te smal om zoveel mensen tegelijk te verwerken. We hadden de grootste moeite ons een weg door de menigte te banen. Chinezen lopen traag. We moesten af en toe halsbrekende toeren uithalen om ze te passeren. Velen liepen in dezelfde jassen die wij de avond ervoor in het klooster hadden gedragen. Het was tenslotte koud en mistig, er lag zelfs volop sneeuw op het pad. Wij hadden het inmiddels echter zo warm gekregen van het klimmen dat we enkel in een T-shirt omhoog stapten en nòg zweette ik als een levende waterval. De mensen staarden ons verbaasd na. We vormden een bezienswaardigheid op zich.

 

Het Jinding kloosterDe Gouden Top Tempel

BOEDDHA'S AUREOOL

Niet veel later bereikten we het Jinding klooster op de Gouden Top, het einddoel voor de meeste pelgrims. Dit was niet het hoogste punt van de berg, dat was de Tienduizend Boeddha's Top op 3099 meter. Deze was nog 22 meter hoger en lag op een uur lopen van de Gouden Top maar het pad er naar toe was om onduidelijke reden afgezet. Misschien was er onlangs iemand uitgegleden en naar beneden gevallen of was door een aardverschuiving een deel van het pad weggeslagen, dat kon maar zo.

Honderd meter lager hadden we de mist zien verdwijnen. We waren boven de wolken gekomen. De Gouden Top Tempel (de naam was goed gekozen) baadde in warm zonlicht. Enige tijd geleden was de tempel nieuw opgebouwd na door brand geheel te zijn verwoest. Naast dit heiligdom stond een heel ander bouwwerk, eveneens bedoeld om contact met hogere sferen te leggen. Schotelantennes en een zendmast van de Chinese Telecom en peilapparatuur van een meteorologisch instituut verrieden dat de twintigste eeuw ook de top van Emei Shan bereikt had.

We zochten een plekje uit de wind en in de zon en keken uit over een ogenschijnlijk eindeloos wolkendek. Damp steeg op van onze bezwete kleren, we maakten nu onze eigen mist. Vanuit het klooster klonk muziek en het monotone gezang van biddende monniken. Aan de rand van de afgrond naast het gebouw lieten toeristen zich vereeuwigen. Op sommige dagen moet hier een fenomeen waarneembaar zijn dat Boeddha's Aureool wordt genoemd. Rond schaduwen die op het wolkendek vallen wordt het licht door waterdeeltjes zo gebroken dat het lijkt alsof er een regenboog aan de schaduwen kleeft. In vroegere tijden gebeurde het dat devote monniken deze aureool rond hun eigen schaduw als een roep van boven zagen en in extase wierpen ze zich van wat nu de Klif van Zelfopoffering heet. Om al te veel zelfmoorden te voorkomen werd later een hek voor de afgrond geplaatst waar de toeristen zich nu angstvallig aan vast klampten.

De klif van zelfopoffering

De zon stond misschien wat te hoog, de goden gaven ons in ieder geval geen regenboogteken. We konden er ook niet al te lang op wachten want we hadden nog een lange afdaling voor de boeg. Onze tijd was blijkbaar nog niet gekomen. En terecht, we hadden immers de tocht volbracht, Boeddha mocht trots op ons zijn. © Coos Dam